Hulp bij psychische en ontwikkelingsproblemen

Wat is er aan de hand?

Als het niet goed gaat met je kind… wat dan? Dan kun je met je vraag terecht bij GGZ WNB voor zorg op maat!

Ieder kind is anders. Sommige kinderen ontwikkelen in de loop van de tijd door allerlei factoren emotionele klachten, angsten, gedragsproblemen, sociale problemen. Hierdoor krijgen zij het steeds moeilijker op school, thuis en in de contacten met leeftijdsgenoten. Bij sommige kinderen is al op jonge leeftijd zichtbaar dat zij zich anders ontwikkelen dan andere kinderen. Dit kan wijzen op de aanwezigheid van een ontwikkelingsstoornis, zoals bijvoorbeeld ADHD of een autismespectrum-stoornis. Of: een kind heeft een traumatische ervaring opgedaan en is daardoor heel angstig geworden.

Ongeveer 5% van de kinderen heeft psychische problemen waarvoor professionele hulp nodig is. Toch rust er nog vaak een taboe op psychische problemen, terwijl het iedereen kan overkomen. Veel mensen durven niet over hun problemen te praten uit schaamte of uit angst 'gek' gevonden te worden. Toch is het belangrijk om je probleem met anderen te delen en er niet alleen mee rond te blijven lopen.

Als ouder probeer je dit zo goed mogelijk op te vangen, maar soms zit je met je handen in het haar en maak je je zorgen. Je vraagt je af wat er aan de hand is en wat er moet gebeuren om je kind weer lekker in zijn vel te laten zitten. Wat is er nodig om hem of haar weer goed te laten functioneren thuis, op school, in het contact met leeftijdsgenoten?

GGZ WNB biedt onderzoek en behandeling aan kinderen en jongeren van 0-18 jaar met ontwikkelingsproblemen, psychische en psychiatrische problemen en hun omgeving. Samen kijken we wat er aan de hand is en wat de beste behandeling voor je kind is in jouw specifieke situatie: zorg op maat dus!


Wanneer en hoe zoek je hulp?

Je kunt professionele hulp zoeken als duidelijk is dat het bij jouw kind niet gaat over problemen van voorbijgaande aard. Is er sprake van flinke problemen, problemen die maar blijven voortduren en (b)lijken lichtere vormen van hulp niet effectief? Dan kan het nodig zijn om gespecialiseerde jeugd-ggz in te schakelen. Je kunt dan in overleg met de huisarts, kinderarts, schoolarts of de jeugdprofessional van het CJG-team uit je gemeente hulp zoeken bij GGZ WNB.

GGZ, is dat niet te zware zorg voor mijn kind?

Sommige ouders zien de stap naar geestelijke gezondheidszorg of ‘de psychiater’ als een enorm hoge drempel. Gelukkig is dat in de praktijk anders. De jeugdteams binnen GGZ WNB zijn helemaal gericht op kinderen en jongeren en hun ouders. Ons uitgangspunt is dat wij zorg op maat bieden. We kijken naar de specifieke situatie van een gezin en stemmen onze behandeling daar op af. Zo licht als mogelijk is, zo zwaar als noodzakelijk is. Zo kort of zo lang als nodig is.

Onze hulpverleners, waaronder kinder- en jeugdpsychiaters, zijn gespecialiseerd in de diagnostiek en behandeling van kinderen met psychische en kinder-psychiatrische problemen. Zij kijken naar ieder kind in de hele breedte: de ontwikkeling op verschillende terreinen, functioneren op school, in het gezin, in sociale contacten, lichamelijk functioneren (biomedisch) en hoe deze factoren elkaar beïnvloeden.

Psychische en ontwikkelingsproblemen

De volgende psychische- en ontwikkelingsproblemen kunnen voorkomen bij kinderen en jongeren:


ADHD is de afkorting voor Attention Deficit Hyperactivity Disorder, of in het Nederlands: aandachts-tekortstoornis met hyperactiviteit. ADHD is een ontwikkelingsstoornis. Vaak gebruikt men als geheugensteuntje de omschrijving “Alle Dagen Heel Druk”. Dit klopt niet helemaal, niet alle kinderen met ADHD zijn heel druk. Er is ook een vorm zonder hyperactiviteit: ADD. Voor al deze kinderen geldt dat ze moeite hebben om hun aandacht voldoende te ‘richten’, ze hebben moeite met opletten en zich ergens op concentreren. Ze zijn snel afgeleid door prikkels om zich heen of door hun eigen gedachten (wegdromen). Bij jongere kinderen zie je meer hyperactiviteit in het gedrag dan bij oudere kinderen, daar zit de onrust vooral van binnen. Naast de aandachtsproblemen en het snel afgeleid zijn, is er sprake van impulsiviteit: eerst doen dan denken.

Welke soorten ADHD zijn er?
Er bestaan drie soorten ADHD:

  • ADHD waarbij je het moeilijk vindt om je aandacht lang op hetzelfde kunt richten, snel afgeleid bent én waarbij je heel druk en onrustig, hyperactief, bent.
  • ADHD waarbij je geen last hebt van hyperactiviteit, maar wel moeite hebt met het blijven vasthouden van je aandacht. Deze vorm wordt ook wel ADD genoemd.
  • ADHD waarbij je je aandacht prima kunt vasthouden maar je vooral hyperactief en impulsief bent.

Alle kinderen zijn anders, je hebt rustige kinderen en drukkere kinderen. Niet alle drukke kinderen hebben ADHD. Soms wordt druk gedrag veroorzaakt door bepaalde factoren in het leven of de omgeving van een kind. Het is dus belangrijk om zorgvuldig te onderzoeken of er écht sprake is van ADHD of dat er iets anders aan de hand is. En ook als er sprake is van ADHD, is het belangrijk om per kind te kijken wat hij/zij nodig heeft, want ook elk ADHD-kind is anders. Het gaat niet om het ‘etiket’, wel om de sterke en minder sterke kanten van ieder kind. Elk kind vraagt om maatwerk.

Hoe vaak komt het voor?
In Nederland heeft ongeveer 4 op de 100 kinderen ADHD. Dat betekent dat gemiddeld in iedere klas iemand met ADHD zit. ADHD komt vaker voor bij jongens dan bij meisjes en meestal kan ADHD al voor het 7e levensjaar worden ontdekt.

Hoe ontstaat ADHD?
Zowel erfelijkheid als de omgeving spelen een rol bij het ontstaan van ADHD. Inmiddels weten we dat de hersenen van kinderen en volwassenen met ADHD anders functioneren dan gemiddeld bij mensen het geval is. Ondanks het feit dat ADHD een duidelijke lichamelijke oorzaak heeft, speelt de omgeving een belangrijke rol bij de manier waarop de ADHD zich in het dagelijks leven ontwikkelt. Hoe eerder die omgeving weet wat er aan de hand is, hoe eerder zij een positieve invloed kunnen uitoefenen op de ontwikkeling van het kind met ADHD.

Klik hier voor de informatie folder.

(bron: Kenniscentrum voor Kinder- en jeugdpsychiatrie)

Elk kind is wel eens angstig. Vaak heeft dat een goede reden en gaat het weer over. Als je kind vaak angstig is en er bijna dagelijks last van heeft, kan het zijn dat er sprake is van een angststoornis. De angst zorgt er dan voor dat je kind niet meer goed eet, slaapt of naar school gaat, of dat je kind situaties gaat mijden.

Er zijn verschillende typen angststoornis: een overmatige angst voor van alles en nog wat; angst om gescheiden te zijn van je moeder, vader of andere belangrijke persoon; faalangst, een angst die opkomt als er iets van iemand wordt verwacht; of een overdreven angst voor een specifieke situatie (bijvoorbeeld hoogtevrees) of een bepaald dier (bijvoorbeeld een spin of wesp).

In de praktijk wordt nogal eens onderschat hoezeer angststoornissen effect hebben op het dagelijkse leven. In feite hebben angststoornissen bij veel kinderen grote gevolgen voor het functioneren van het gezin, de sociale ontwikkeling van het kind en in veel gevallen ook voor het functioneren op school.

De meeste angststoornissen kunnen met een kortdurende behandeling worden behandeld. Niet altijd hoeft dit door een specialistische ggz-organisatie, zoals GGZ WNB, gedaan te worden. Soms neemt de angst grotere vormen aan en gaat deze gepaard met andere klachten. Dit kan je kind erg belemmeren in zijn of haar dagelijks functioneren. In dat geval kan een specialistische behandeling nodig zijn. Angst kan ook samenhangen met andere psychische klachten. Dit onderzoeken we altijd, zodat dit in de behandeling kan worden meegenomen.

Angst kan bij kinderen en jongeren leiden tot schoolweigering. Als dat gebeurt, is het belangrijk om zo snel mogelijk in te grijpen. Hoe langer een kind of jongere niet naar school gaat, hoe moeilijker de stap terug naar school wordt.

Hoe vaak komt het voor?
Ongeveer 5 op de 100 kinderen en jongeren in Nederland heeft last van een angststoornis. Gemiddeld zit er dus in iedere klas iemand met een angststoornis. Je kunt het op elke leeftijd krijgen en het komt iets vaker voor bij meisjes dan bij jongens.

Schoolweigering komt bij ongeveer 1-2% van de schoolgaande kinderen en jeugdigen voor, met een piek op de leeftijd van 11-13 jaar, dus bij de overgang naar de middelbare school. Een logisch moment, omdat dit vaak een hele grote en spannende overgang is voor kinderen.

Hoe ontstaat het?
Een angststoornis kan ontstaan omdat je kind iets heel naars heeft meegemaakt, waardoor hij of zij niet meer naar die ene plek durft. Maar het kan ook zijn dat hij bang is aangelegd of dat de angststoornis erfelijk is. Er zijn dus verschillende oorzaken waardoor je een angststoornis kunt krijgen.

(bron: Kenniscentrum voor Kinder- en jeugdpsychiatrie)

Autisme is een ontwikkelingsstoornis, waarbij de prikkel- en informatieverwerking in de hersenen is verstoord. De informatie die via de zintuigen (gehoor, gezichtsvermogen, tast) binnenkomt, wordt op een andere manier verwerkt. Hierdoor hebben kinderen met autisme moeite om alle losse details die ze waarnemen, met elkaar te verbinden. Het blijven losse puzzelstukjes in plaats van een samenhangend beeld. Hierdoor is het moeilijker om de wereld te begrijpen en daar op een passende manier op te reageren. Autisme is van invloed op alle levensgebieden (thuis, school, contacten met leeftijdsgenoten) en is blijvend. Wel verandert in de loop van de ontwikkeling de wijze waarop autisme aanwezig is in het gedrag. In een bepaalde levensfase of levensgebied kunnen bepaalde symptomen minder sterk worden, terwijl andere juist sterker naar voren komen. Tegenwoordig wordt autisme ‘Autisme spectrum stoornis’ (ASS) genoemd. Het woord ‘spectrum’ betekent dat autisme op verschillende manieren kan voorkomen.

Kinderen en jongeren (en volwassenen) met ASS hebben een aantal kernsymptomen: problemen in de sociale contacten en communicatie met anderen, problemen met het inlevingsvermogen, beperkte, zeer specifieke interesses en zich herhalend gedrag (rituelen, stereotypieën). Hij of zij begrijpt of ziet niet goed hoe een ander zich voelt en kan dit niet aflezen aan de lichaamstaal van de ander. Ook kan hij of zij moeite hebben met veranderingen en vastlopen in de communicatie met anderen. Vaak is er sprake van over- of ondergevoeligheid voor zintuiglijke prikkels, al is dit geen officieel kenmerk van ASS. Hierdoor kan het bijvoorbeeld voorkomen dat een kind met ASS, ondanks de kou, toch in zijn T-shirt naar buiten gaat.

Niet alle kinderen met ASS hebben in dezelfde mate last van bovenstaande zaken. Ook voor kinderen met ASS geldt, dat zij allemaal anders zijn. Net als ieder kind zijn zij uniek, ook al zie je bij ieder van hen de kernsymptomen van ASS terug. Ook zij vragen dus om maatwerk.

Kinderen met autisme hebben echter ook sterke kanten. Zo is afspraak ook afspraak, hebben ze veel kennis van bepaalde zaken, zijn ze erg eerlijk, hebben ze oog voor detail en een goed geheugen. Ze hebben vaak een groot gevoel voor humor en voor computers en ICT. Niet voor niets zijn er bedrijven in Nederland, die voor bepaalde werkzaamheden juist mensen met autisme in dienst nemen vanwege hun sterke kanten.

Hoe vaak komt het voor?
Op basis van buitenlandse onderzoeken wordt ervan uitgegaan dat 0,6 % van de bevolking ASS heeft. Uit nieuwere onderzoeken komen percentages van rond de 1% naar voren, dit hogere percentage wordt mogelijk veroorzaakt door betere en eerdere onderkenning van ASS dan vroeger het geval is.

Hoe ontstaat het?
ASS is grotendeels het gevolg van biologische oorzaken in de hersenen. Het wetenschappelijk onderzoek naar ASS is in volle gang. Inmiddels weten we dat ASS voor 90% erfelijk wordt bepaald, dus via genen van ouder op kind wordt doorgegeven. Verder is bekend dat bepaalde ziekten ook een rol kunnen spelen bij het ontstaan van ASS.

Ook hier geldt dat opvoeding en andere omgevingsfactoren van groot belang zijn voor de manier waarop een kind met autisme zich ontwikkelt. Vroegtijdige onderkenning ervan is dus zeer belangrijk.

Klik hier voor de informatie folder.

(bron: Kenniscentrum voor Kinder- en jeugdpsychiatrie)

Borderline is een persoonlijkheidsstoornis, die pas vanaf de puberteit voorkomt. ‘Persoonlijkheidsstoornis’ wil zeggen dat de problemen doordringen in alle levensgebieden: emoties, sociale contacten, leren, intieme relaties, enzovoort.

Bij kinderen is er eigenlijk nog geen sprake van een echte persoonlijkheid – die is nog volop in ontwikkeling. Vanaf de puberteit, kunnen er signalen zijn die wijzen op een verstoorde ontwikkeling van de persoonlijkheid. Jongeren met borderline hebben last van allerlei problemen, bijvoorbeeld hele wisselende gevoelens. Het ene moment kunnen ze heel blij zijn, het volgende moment erg verdrietig (stemmingswisselingen). Voor familie en vrienden is het vaak lastig om deze wisselende stemmingen te begrijpen. Ze hebben moeite met het onderhouden van vriendschappen en kunnen zich heel leeg voelen. Dit leidt er soms toe dat jongeren zichzelf pijn doen (automutilatie). Voor jongeren bestaan er gelukkig goede behandelmethoden die kansen geven op stabieler functioneren op school, bij het werk, in het gezin en in andere sociale contacten.

Hoe vaak komt borderline voor?
Daar is nog weinig duidelijkheid en overeenstemming over onder deskundigen. Bij jongeren lijkt het vaker voor te komen, maar dat kan juist samenhangen met het feit dat de hersenen nog volop aan het rijpen zijn. We weten dat borderline milder wordt naarmate je ouder wordt.

Hoe ontstaat borderline?
Borderline ontstaat vanuit een continue wisselwerking tussen omgevingsfactoren en genetische (aanleg-) factoren. Hoe dat precies werkt, weten we nog niet.

(bron: Kenniscentrum voor Kinder- en jeugdpsychiatrie)

Net als volwassenen, kunnen ook kinderen en jongeren depressief zijn. Dit wordt vaak onderschat. Van depressie spreken we als je langere tijd somber bent, nergens meer plezier aan beleeft en geen energie heb om dingen te doen. Ook kan je heel prikkelbaar reageren op wat er om je heen gebeurt. Een depressie gaat dus over de stemming van iemand, vandaar dat dit in de categorie 'stemmingsstoornissen' valt.

Bij kinderen en jongeren gaat een depressie vaak samen met leer- en gedragsproblemen. Andere klachten die bij kinderen met een depressie kunnen voorkomen zijn vergelijkbaar met die van depressieve volwassenen: slaapproblemen; vermoeidheid; boosheid en prikkelbaarheid; verminderde of juist toegenomen eetlust; angst- en concentratieproblemen; lichamelijke klachten (buikpijn, hoofdpijn, enz.); en stemmingswisselingen. Vaak lopen de prestaties op school terug. Een depressie kan zich verschillend uiten bij jongens of meisjes: meisjes met depressieve klachten trekken zich vaker terug in zichzelf, terwijl jongens eerder onhandelbaar worden.

Een depressie bij kinderen wordt niet altijd herkend of benoemd. Dit komt omdat zij naast het somber zijn, ook nog plezier kunnen hebben van tijd tot tijd. Dat maakt het moeilijk om te beoordelen of er echt iets aan de hand is.

Wanneer een kind depressief is, kan deze een negatief zelfbeeld hebben en daarover verontrustende gedachten uiten, zoals “Was ik maar dood.”. Vaak blijft het alleen bij een gedachte. Toch hebben deze gedachten een belangrijke signaalfunctie dat het niet goed met hen gaat. In dat geval is het van belang dit signaal serieus te nemen en hulp te zoeken.

Hoe vaak komt een depressie voor?
Ongeveer 1 op de 15 jongeren heeft in het afgelopen jaar een depressie gehad. Bijna 2 op de 10 jongeren heeft last van sombere gevoelens. Meisjes zijn vaker depressief dan jongens.

Hoe ontstaat het?
Het is niet helemaal duidelijk wat de oorzaken zijn van het ontstaan of aanhouden van depressies bij kinderen en jongeren. We weten niet precies waarom de een er wel last van heeft en de ander niet. Onderzoekers denken aan een samenspel van lichamelijke factoren, die een zekere kwetsbaarheid voor depressie veroorzaken en invloeden vanuit de omgeving (zoals langdurig gepest worden of nare ervaringen). Daarnaast spelen ook persoonlijke eigenschappen een rol. De ene jongere heeft nu eenmaal meer aanleg dan de andere om een depressie te krijgen. Daarnaast kunnen bepaalde omstandigheden gevoelens van somberheid oproepen of versterken.

(bron: Kenniscentrum voor Kinder- en jeugdpsychiatrie)

Eetproblemen komen regelmatig voor in de ontwikkeling van kinderen en zijn meestal van voorbijgaande aard. We spreken van een eetstoornis als het eten van een kind of jongere langere tijd ernstig is verstoord en tot gezondheidsproblemen leidt. Vaak hangt dit samen met psychische klachten.

Meestal wordt bij een eetstoornis direct gedacht aan hele magere kinderen en jongeren. Het kan echter ook zo zijn dat een kind niet dun, maar juist te klein is door het tekort aan eten. Of dat het kind teveel eet en daardoor dikker wordt. Veel kinderen met een eetstoornis gaan zich steeds meer terugtrekken. Het is belangrijk om het ontstaan van eetstoornissen tijdig te signaleren en te voorkomen.

Er zijn verschillende soorten eetstoornissen: anorexia nervosa, boulimia nervosa, overige eetstoornissen. Hieronder vallen ook de eetbui-stoornis en eetproblemen bij (zeer) jonge kinderen.

Anorexia nervosa
We spreken van Anorexia nervosa als er sprake is van een opvallend ondergewicht of een groeiachterstand in combinatie met een overdreven angst om aan te komen, overmatig bezig zijn met eten of overdreven aandacht voor hoe het eigen lichaam eruit ziet. Iemand met anorexia heeft een verkeerd beeld van het eigen lichaam en vindt zichzelf vaak dikker, groter en ronder dan in werkelijkheid het geval is. Er zijn 2 vormen van anorexia nervosa: het type anorexia waarbij een jongere soms eetbuien heeft en daarnaast overgeeft of andere maatregelen neemt om extra gewicht kwijt te raken en het type waarbij de jongere niets anders doet dan veel te weinig eten.

Boulimia nervosa
Boulimia nervosa lijkt erg op anorexia nervosa. Bij boulimia is er echter meestal geen sprake van ondergewicht. Vaak is aan de buitenkant nauwelijks te zien dat er iets aan de hand is. Schaamte voor de regelmatige eetbuien en vervolgens het weer kwijt proberen te raken van calorieën door te braken, het gebruik van laxeermiddelen of extreem veel bewegen, zorgen ervoor dat de jongere zijn gedrag goed geheim houdt. Ook een jongere met boulimia heeft een verkeerd beeld van het eigen lichaam en neemt zichzelf vaak dikker, groter en ronder waar dan in werkelijkheid zo is. Binnen boulimia nervosa bestaan twee type eetstoornissen: het type boulimia waarbij de jongere gaat braken of laxeren en het type, waarbij de jongere erg veel gaat bewegen en sporten.

Overige eetstoornissen
Dit zijn eetstoornissen, die niet voldoen aan de criteria voor anorexia of boulimia nervosa.

Eetbui-stoornis
De eetbui-stoornis staat ook wel bekend als de binge eating disorder. De eetbuistoornis lijkt erg op boulimia nervosa met als verschil dat iemand met een eetbui-stoornis geen maatregelen neemt om het eten / de calorieën zo snel mogelijk weer kwijt te raken.

Eetproblemen bij (zeer) jonge kinderen
Eetproblemen bij (zeer) jonge kinderen hebben soms een psychische en soms een lichamelijke oorzaak. Vaak hangen deze eetproblemen samen met bijzondere omstandigheden waardoor de normale eetontwikkeling ernstig verstoord is geraakt. Er zijn kinderen die elke vorm van eten en drinken weigeren. Of kinderen die slechts zeer beperkt en selectief voedsel tot zich nemen. En ook alleen onder bepaalde condities, die veel verder gaan dan een rustige en aangename sfeer. Het spreekt voor zichzelf dat hierdoor het hele gezinsleven beheerst wordt. Dit kan veel stress veroorzaken bij de ouders, die zich ernstig zorgen maken over hun kind. Ook zij hebben dan goede ondersteuning en hulp nodig. Onze hulpverleners vinden het belangrijk om in deze situatie goed te kijken waardoor de eetproblemen zijn ontstaan, welke factoren de eetproblemen in stand houden en beïnvloeden. Deze kennis gebruiken we voor het kiezen van de juiste behandeling. Ook hier geldt: maatwerk voor ieder kind en zijn ouders.

Hoe vaak komt het voor?
Eetstoornissen lijken op steeds jongere leeftijd voor te komen. Dit heeft waarschijnlijk ook te maken met het feit dat ouders en leerkrachten de signalen steeds eerder leren herkennen. Dit geeft goede hoop voor de behandeling van eetstoornissen. Wanneer een eetstoornis serieus wordt genomen en vroeg wordt herkend, is de kans groot dat deze met behulp van de juiste behandeling kan worden verholpen.

Het is moeilijk te zeggen hoe vaak eetstoornissen precies voorkomen, omdat er niet altijd hulp gevraagd wordt. Schaamte kan daar een belangrijke rol bij spelen.

De schatting is dat in Nederland 0,3% van de kinderen tot en met 18 jaar anorexia heeft. Anorexia komt bij kinderen het meest voor in de leeftijd van 14 tot 18. Boulimia komt niet veel voor bij jonge kinderen, de gemiddelde leeftijd waarop boulimia ontstaat is 16. Boulimia komt ongeveer bij 0,2% van de jongeren voor. Over de overige eetstoornissen zijn geen cijfers bekend.

Het is soms moeilijk te bepalen wat er precies met het kind aan de hand is. Het kan ook nog zo zijn dat het lijkt alsof er sprake is van een eetstoornis terwijl het kind psychisch helemaal in orde is. Daarom wordt zo nodig lichamelijk onderzoek gedaan zodat een eventuele lichamelijk oorzaak uitgesloten kan worden.

Hoe ontstaan eetstoornissen?
Het is niet duidelijk waardoor een eetstoornis kan ontstaan. Daar wordt op dit moment nog veel onderzoek naar gedaan. Het zou kunnen dat de mogelijkheid van het krijgen van een eetstoornis al bij de geboorte vaststaat. Daarnaast zijn er verschillende factoren die kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van een eetstoornis. Biologische factoren (zoals diabetes), familiaire factoren (zoals zwaarlijvigheid), culturele factoren (zoals het geldende schoonheidsideaal) en omgevingsfactoren kunnen een belangrijke rol spelen. Deze factoren zijn echter niet specifieke risicofactoren voor het ontwikkelen van een eetstoornis maar meer voor het ontwikkelen van een psychische stoornis in het algemeen en daarmee ook voor het ontstaan van een eetstoornis.

De kenmerken van een eetstoornis kunnen daarnaast erg lijken op die van kinderen met een angststoornis, een dwangstoornis, een stemmingsstoornis of autisme. De angst voor het eten of de problemen met eten zijn dan dus niet per se signalen voor een eetstoornis, maar hangen samen met een andere aanwezige stoornis. Tijdens de behandeling van een eetstoornis houdt de behandelaar daarom voortdurend in de gaten of er sprake is van een eetstoornis of toch van één van de eerder genoemde stoornissen.

(bron: Kenniscentrum voor Kinder- en jeugdpsychiatrie)

Kinderen en jongeren, die niet goed in hun vel zitten of zich niet goed ontwikkelen, kunnen dat via hun gedrag uiten. Ze zijn vaak boos, schreeuwen, schelden en slaan om zich heen. Ze zijn agressief als ze hun zin niet krijgen of gebruiken het om hun zin door te drijven. Wanneer ze iets moeten doen van hun ouders of school en ze hebben er geen zin in, doen ze het vaak niet.

Gedragsproblemen kunnen in verschillende vormen voorkomen. Het kan zijn dat er vooral problemen thuis en op school zijn, het kind is snel boos en maakt veel ruzie. Er kan ook sprake zijn van gedragsproblemen in combinatie met een ander probleem, zoals autisme , ADHD of een hechtingsprobleem. De gedragsproblemen zijn daar een gevolg van en hangen ermee samen. Hier houden onze hulpverleners altijd rekening mee bij het kiezen van de juiste behandeling.

Als er sprake is ven zeer ernstige gedragsproblemen, spreken we van een gedragsstoornis. De twee belangrijkste gedragsstoornissen zijn de ODD (oppositional defiant disorder) en CD (conduct disorder).

Hoe vaak komt een gedragsprobleem voor?
6 op de 100 kinderen heeft een gedragsprobleem. Dat is hetzelfde als gemiddeld 2 kinderen per klas. Ongeveer 2 op de 100 kinderen en jongeren met een gedragsprobleem heeft ook ADHD.

Hoe ontstaan gedragsproblemen?
Het ontstaan van gedragsproblemen is meestal te verklaren vanuit een wisselwerking tussen, enerzijds, de kwetsbaarheid van het kind en, anderzijds, omgevingsfactoren. Het ene kind is er gevoeliger voor om een gedragsprobleem te krijgen dan de ander. Er zijn kinderen met een grotere kwetsbaarheid vanuit het functioneren van hun hersenen, waardoor ze overbeweeglijk zijn, impulsiever, minder gevoelig voor straf en snel wisselen van stemming. Deze kinderen zijn niet gemakkelijk om op te voeden en als de ouders hier geen goed antwoord op weten te vinden, kunnen de opvoedingsproblemen omslaan in gedragsproblemen. Wanneer de gedragsproblemen in de puberteit optreden, kunnen ze veroorzaakt worden door de invloed van ‘verkeerde’ vrienden of het zich afzetten en losmaken van ouders. Die vinden het wellicht moeilijk om hiermee om te gaan.

(bron: Kenniscentrum voor Kinder- en jeugdpsychiatrie)

Als ouder kun je je erg onzeker voelen
Je begrijpt je zoon of dochter niet altijd. Je twijfelt er misschien aan of je het goed doet in de opvoeding. Eten of slapen kunnen een probleem zijn voor je peuter. Of je kind is soms erg druk of juist heel stil en je weet niet wat je daaraan kunt doen. Ouder zijn van een baby, peuter of kleuter is lang niet altijd gemakkelijk. Je hebt alles al geprobeerd, maar het lijkt niet te helpen. Waar ligt het aan dat het niet goed gaat? Iedere vader of moeder is wel eens onzeker over zijn of haar ouderschap. Het is helemaal niet gek om te twijfelen. Maar het kan ook zijn dat je onzekerheid steeds groter wordt en dat je het idee hebt dat er iets aan de hand is. Wij helpen ieder jaar veel ouders die zich onzeker voelen en ongerust zijn over de ontwikkeling van hun kind. U bent dus zeker niet de enige!

Er kunnen allerlei redenen zijn dat je je als ouder onzeker voelt of ongerust maakt over de ontwikkeling en het gedrag van je kind. Het ene kind ontwikkelt zich anders dan het andere kind. Het kan ook zijn dat je kind overdreven prikkelbaar is en het niet lukt om alle indrukken op een dag goed te verwerken. Of dat je zoon of dochter moeite heeft met contact maken met zijn ouders of met andere kinderen. Misschien hoef je je helemaal geen zorgen te maken. Maar het is ook mogelijk dat er meer aan de hand is. Onze ervaring is dat ouders meestal heel goed aanvoelen dat er iets aan de hand is met hun kind. Wij nemen ouders daarom heel serieus in hun zorgen.

Wij kunnen onderzoeken wat er aan de hand is, en zo samen zoeken naar een oplossing zodat het weer beter gaat met je kind, in het gezin, en je kind zich goed verder kan ontwikkelen. We kijken of er sprake is van voorbijgaande problemen of misschien een ontwikkelingsstoornis of andere problematiek, waarvoor behandeling nodig is. Ook hier geldt dat zorg op maat belangrijk is.

Als je eigen problemen je in de weg zitten als vader of moeder
Soms kan het zijn dat je als ouder zelf psychische klachten hebt of er problemen zijn in de thuissituatie. Dat kan je onzeker maken en dat kan ook effect hebben op je kind, ook al probeer je dat te voorkomen. Samen gaan we dan aan de slag om hier verbetering in te brengen. Daar hebben we goede methoden voor die bij veel ouders met soortgelijke problemen voor een positieve verandering hebben gezorgd.

(bron: Kenniscentrum voor Kinder- en jeugdpsychiatrie)

Een psychose is een toestand waarbij fantasie en werkelijkheid door elkaar lopen. Je ziet en hoort dingen die anderen blijkbaar niet zien. Je hoort, ziet, ruikt, voelt iets wat er niet is, je hoort stemmen. Je verliest het contact met de werkelijkheid, zoals anderen die ervaren. Je hebt het gevoel dat andere mensen jou iets aan willen doen. Als je een psychose hebt, zie je de wereld anders dan andere mensen. Je hebt last van hallucinaties, waanideeën en verwardheid. Bij herhaling van psychoses ga je steeds slechter functioneren. Het is dus belangrijk om deze herhaling door behandeling te voorkomen. Hoe vroeger de behandeling kan starten, des te gunstiger dat is voor de verdere verloop van dit ziektebeeld. Het is daarom verstandig om bij signalen en twijfel een deskundige te raadplegen. Een eerste psychose uit zich meestal tussen het zestiende en het dertigste levensjaar.

In ongeveer de helft van de gevallen leidt een psychose tot een meer blijvende vorm. Dit noemen we schizofrenie (terugkerende psychotische periodes). Wij gebruiken op deze plaats de meer algemene term psychose. Psychose komt niet veel voor en kan als symptoom optreden bij andere psychische aandoeningen zoals verslaving en manische depressiviteit.

Bij kinderen en pubers kunnen echter dezelfde signalen op hele andere zaken duiden, zoals kinderlijke fantasieën van voorbijgaande aard. Jonge kinderen kunnen ‘stemmen horen’, die echter niets met een psychose te maken hebben. Bij jongeren die een psychose krijgen, niet veroorzaakt door drugs- of drankgebruik, is er tijdens de kindertijd vaak sprake geweest van een ontwikkelingsproblemen op het gebied van taal en spraak, motoriek, sociale vaardigheden en leerproblemen. Tijdens de puberteit kunnen gebrekkige vriendschappen, zwakke schoolprestaties, terugtrekkend gedrag en weinig interesses de eerste signalen zijn.

Hoe ontstaat het?
In principe kan iedereen een psychose krijgen. De kans dat iemand in zijn leven last krijgt van psychose heeft deels te maken met genetische aanleg. Er is een sterk verhoogde kans dat iemand een psychose krijgt als een familielid in de eerste graad hieraan lijdt.

Maar, ook al komt het in de naaste familie voor, er zijn ook andere factoren die maken dat iemand last krijgt van psychose (risicofactoren) of juist geen psychose krijgt (beschermende factoren).

Risicofactoren zijn stressvolle gebeurtenissen en een trauma in de vroege jeugd. Ook kunnen complicaties bij de geboorte een rol spelen, evenals organische stoornissen zoals aanvallen van epilepsie, een hersentumor of een hersenvliesontsteking. Er blijkt steeds vaker dat het gebruik van cannabis (blowen) een risico vormt voor het optreden van een psychose. Hoe vroeger je gaat blowen, hoe groter het risico is. Er zijn jongeren, die hier gevoeliger voor zijn dan anderen en dus sneller een psychose krijgen als gevolg van het blowen. Als een cannabisgebruiker psychotische symptomen krijgt en deze symptomen na enkele dagen nog bestaan, moet je er rekening mee houden dat dit tekenen zijn van een psychotische stoornis van langere duur. Dit gaat niet over als je stopt met blowen.

De kans op een psychose wordt kleiner door bepaalde ‘beschermende factoren’. Voor kinderen en jongeren zijn dit: leren omgaan met stressvolle gebeurtenissen en goede voorlichting over de risico’s van cannabisgebruik. In het algemeen is het niet verstandig cannabis te gebruiken als er sprake is van genetische kwetsbaarheid en evenmin op jeugdige leeftijd. Als je een iets heel naars hebt meegemaakt of verslaafd bent aan drugs (ook blowen) wordt het risico groter dat je een psychose krijgt.

Hoe vaak komt het voor?
De kans dat iemand tijdens zijn leven schizofrenie krijgt is kleiner dan 1% (ongeveer 0,8). Het zijn ongeveer evenveel mannen als vrouwen die eraan lijden en het komt in alle lagen van de bevolking voor. Ruim 6400 Nederlanders maken ieder jaar voor de eerste keer een psychose mee. De meeste van deze mensen zijn onder de 30 jaar.

In de puberteit komt een psychose twee maal zo vaak voor bij jongens als bij meisjes. Ongeveer een half procent van de jongeren tussen 13 en 19 jaar maakt een psychose door, bij de helft daarvan betreft het schizofrenie.

(bron: Kenniscentrum voor Kinder- en jeugdpsychiatrie)

Als een kind iets naars heeft meegemaakt, dan hij daar flink last van hebben. Niet goed slapen, nachtmerries, gespannenheid kunnen dan optreden. Bij de meeste kinderen gaat dat na een tijd weer over. Het zijn gewone reacties op een abnormale gebeurtenis. Het kan echter ook zo zijn dat die klachten maar blijven duren, dat betekent dat de gebeurtenis niet goed is verwerkt. We spreken dan van een Posttraumatische stressstoornis (PTSS). PTSS kan door 1 nare, heftige gebeurtenis ontstaan, maar ook door een langere periode van nare ervaringen (bv. langdurig pesten). Het is echter moeilijk te voorspellen bij wie het wel en niet tot een trauma komt. Ook reageren kinderen per leeftijdsfase anders op een heftige gebeurtenis. Bij kleine kinderen zijn de reacties anders dan bij pubers.

Bij kinderen kan een trauma de ontwikkeling ernstig verstoren. Hun veilige basis valt weg en dat heeft grote invloed op de rest van hun leven. Daarom is het zaak een trauma zo vroeg mogelijk te herkennen en hier hulp voor zoeken. Hoe vroeger de hulpverlening kan starten, des te beter de verwachting voor herstel. Soms is de timing van de behandeling hierbij wel van belang. In sommige gevallen blijft een kind goed functioneren en heeft het geen behoefte aan behandeling. Dan kan het uitgesteld worden: op een ander moment of latere leeftijd past de behandeling dan beter. Dit is per kind verschillend, elk kind reageert anders. Ook hier geldt dat er maatwerk nodig is.

Hoe vaak komt het voor?
Dat weten we niet precies helaas.

Hoe ontstaat het?
Een trauma komt altijd door een nare gebeurtenis. Voorbeelden daarvan zijn pesten, mishandeling, een ongeluk of ramp meemaken, een plotseling overlijden. Zo'n gebeurtenis moet je altijd verwerken, maar dat kan heel moeilijk zijn. Je kan jezelf bijvoorbeeld iets kwalijk nemen of je machteloos voelen. Ieder mens en elk kind reageert anders op dergelijke gebeurtenissen.

(bron: Kenniscentrum voor Kinder- en jeugdpsychiatrie)